Zacharias
Lukas begint zijn Evangelie met een priester in de tempel, die vanwege ongeloof niet in staat was om voor het volk de zegen uit te spreken. Hij besluit zijn Evangelie met een Hogepriester, Jezus Christus, die zegenend opvoer naar de hemel.
- Wie is Zacharias?
Lukas 1:5 In de dagen van Herodes, de koning van Judea, was er een priester van de afdeling van Abia, van wie de naam Zacharias was. En zijn vrouw behoorde tot de dochters van Aäron en haar naam was Elizabet.
6. Zij waren beiden rechtvaardig voor God en wandelden onberispelijk volgens alle geboden en verordeningen van de Heere
7. En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was en zij beiden op leeftijd gekomen waren.
Zacharias is de Griekse vorm van Zacharia en betekent 'De Heere is gedachtig geweest'. Die betekenis speelt juist een belangrijke rol in het gebeuren in de tempel.
Als Leviet behoort tot de achtste priesterorde, die van Abia (1 Kron. 24:10). Vanwege Zacharias’ functie woonde hij waarschijnlijk in één van de Levietensteden in Judea. Dat kan Hebron zijn geweest.[1] Een andere mogelijkheid is Ein Kerem, dat maar 7 km. ten westen van Jeruzalem lag.[2]
Enkele jaren geleden zijn daar in de kelder van de Johannes de Doperkerk de resten van een Joods ritueel bad (waterbekken) gevonden uit de tijd van Jezus’ rondwandelingen op aarde. Deze vondst laat in elk geval zien, dat op de bewuste plaats een priester moet hebben gewoond, omdat priesters zich driemaal daags geheel moesten onderdompelen. Zacharias zou hier gewoond kunnen hebben. Dit vermoeden wordt versterkt door een vondst in 1999 van een grot bij kibboets Tzuba, 4 km van Ein Kerem, waar gravures gevonden werden uit de Byzantijnse tijd (324 - 640 n.Chr.). Deze stellen scènes voor uit het leven van Johannes de Doper en zijn blijkbaar gemaakt door monniken uit Ein Kerem die hier iets van Johannes de Doper herdachten. Er is een afbeelding te zien van Johannes, die een staf en een dierenhuid draagt, een afbeelding van zijn hoofd en van zijn arm. Bij verder onderzoek werd er ook een installatie aangetroffen voor reinigingsrituelen. De grot zelf is waarschijnlijk al uitgehouwen tussen 800 en 500 v. Chr. en werd gebruikt voor onderdompelingen. Zou Johannes hier verbleven hebben? Vlakbij zijn geboorteplaats? Is dat de reden, dat de monniken hier de gravures hebben gemaakt? Het lijkt niet onmogelijk.
1.1 Familie van Maria
Lukas schrijft (1:36), dat Elizabet familie (syngenis, familielid, bloedverwante) is van Maria. Gelet op hun grote leeftijdsverschil van 30 tot 40 jaar zal Elizabet eerder Maria’s tante dan een nicht geweest zijn. Wij moeten hierbij dan waarschijnlijk denken aan een tante via Maria's ouders. Via Jozefs familie lijkt onwaarschijnlijk, omdat de tekst veronderstelt, dat Maria haar goed en dus al langer kent en weet waar zij woont. Regelmatig contact van Maria’s ouders met een broer of zus van hen is aannemelijker dan een in de familie verder verwijderde nicht. Maria zal Zacharias en Elizabet daardoor gekend hebben. Lukas lijkt tussen de regels door te bedoelen, dat ook Maria levitisch is, omdat hij alleen de familieband met de levitische Zacharias en Elizabet noemt. Hij weersprak dat elders niet en liet zo de indruk achter dat Maria levitisch was en vanzelf ook haar vader. Deze was dan een broer van Zacharias of van Elizabet.
1.2 Hoogbejaard?
Het is de vraag of Zacharias en Elizabet zo oud waren als vaak wordt voorgespiegeld.[3] Voor de priesters gold weliswaar geen leeftijdsgrens,[4] maar de leeftijd van “de oude man” werd geacht te beginnen als deze 50 tot 55 jaar was. Er is geen dwingende aanwijzing om hen af te schilderen als een hoogbejaard echtpaar.
Als Elizabet een nicht van Maria was zou het leeftijdsverschil op zijn hoogst 25 jaar kunnen zijn en zou zij rond 45 jaar geweest zijn, maar ook heel veel jonger. Dat lijkt dus niet voor de hand te liggen (Lukas 1:7 "op leeftijd gekomen"). Dat Zacharias en Elizabet een oom en tante waren van Maria ligt dan ook meer voor de hand. Het leeftijdsverschil is dan groter, ongeveer 25 jaar tot zeker niet meer dan 45 jaar en dat laatste is in die tijd en cultuur al zeer veel. Als Maria rond de 20 jaar oud was zouden haar oom en tante globaal tussen de 50 en 65 jaar oud zijn.
- Zacharias’ tempelgebed
Lukas 1:8 Terwijl hij het priesterambt bediende voor God, toen het de beurt van zijn afdeling was, gebeurde het
9 dat hij, volgens de gewoonte van de priesterdienst, door loting werd aangewezen om de tempel van de Heere binnen te gaan en het reukoffer te brengen.
10 En heel de menigte van het volk was buiten aan het bidden op het uur van het reukoffer.
11 En er verscheen aan hem een engel van de Heere, die aan de rechterzijde van het reukofferaltaar stond.
12 En toen Zacharias hem zag, raakte hij in verwarring en vrees overviel hem.
13 Maar de engel zei tegen hem: Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren en u zult hem de naam Johannes geven.
2.1 Gebed om een kind?
De vraag die hier besproken wordt is: welk gebed van Zacharias werd er verhoord? De meeste mensen zullen de vraag uit het thema beantwoorden met: het gebed om een kind. Er staat immers, in het kort gezegd, dat Zacharias’ gebed is verhoord en dat hij een zoon zal krijgen. Daar bad hij dus om. Soms wordt het zo voorgesteld, dat Zacharias tijdens het brengen van het reukoffer nog een persoonlijk, vrij gebed om een kind opzond.[5] Er staat toch: uw gebed, enkelvoud? Toch ligt dit niet voor de hand. Dat Zacharias in ongeloof reageert op de boodschap van de engel Gabriël laat juist zien, dat hij, vanwege zijn en Elizabets leeftijd, geen kind meer verwachtte en daar niet om gebeden zal hebben. Verschillende vertellers en verklaarders zien het ook als verhoring van het gebed of de gebeden om een kind van Zacharias en Elizabet beiden.[6] Dan gaat het om de gebeden uit het heden of, wat vaker wordt aangenomen, uit het verleden. Gabriël heeft het echter niet over uw gebeden, maar uw gebed. Dat wijst kennelijk op iets anders.
Toen Gabriël de geboorte van een zoon aankondigde zal Zacharias ongetwijfeld intuïtief gedacht hebben aan de gebeden die hij en Elizabet vroeger samen hebben opgezonden. Dat behoeft niet ontkend te worden. Maar toch is er meer aan de hand dan enkel de verhoring van een gebed om een kind. We gaan dat puntsgewijs langs.
2.2 Tempelgebed
Eerst moet helder zijn wat er plaatsvond rond en bij het brengen van het reukoffer in het Heilige van de tempel. Het reukoffer werd door de dienstdoende priester gebracht zowel na het morgenoffer als het avondoffer en was de afronding daarvan. Na de loting welke priester de wierook in het Heilige mocht offeren werd door hen gebeden: ‘Laat spoedig voortspruiten een Spruit van David, Uw knecht, en verhoog Zijn hoorn door Uw zaligheid.’ Na de loting baden priesters en volk in de voorhof o.a.: ‘De God der barmhartigheid kome in het heiligdom en neme met welgevallen het offer van het volk aan.’ Daarna ging de priester het Heilige binnen, strooide wierook op het altaar en wachtte tot deze ontvlamde en de rook ervan opsteeg. Het reukoffer met de opstijgende rook van de wierook symboliseert zo de gebeden om de komst van de Messias, die ambtelijk door de priesters en door het volk waren uitgesproken. Het is nu dit, door de dienstdoende priester Zacharia ook persoonlijk uitgesproken ambtelijke tempelgebed, waarvan de engel Gabriël zei, dat het verhoord is.[7] Waarom het dat is blijkt uit de volgende punten, die het Schriftgedeelte zelf aanwijst.
- Het is niet voor niets, dat de engel Gabriël juist in de tempel (Lukas 1:9) aan Zacharias verschijnt. Daar is het waar de verhoring wordt aangekondigd, namelijk waar het gebed om de komst van de Messias zojuist ambtelijk tot God opsteeg. De komst van de voorloper van de Messias wordt dus aangekondigd in de officiële plaats, de tempel, het centrale heiligdom, het huis van God en was daarom bestemd voor heel Israël.
- Als het alleen maar om de verhoring van een gebed om een kind ging, dan had Gabriël even goed thuis aan Zacharias of Elizabet kunnen verschijnen. Het had dan ook een andere engel kunnen zijn.
- Dat het juist de engel Gabriël is en dat het daarom uiteindelijk om de komst van de Messias gaat ligt in het verlengde van Daniël 9:21-27 waar ook hij de komst en het werk van de Messias aanwijst. Om die reden verscheen Gabriël ook aan Maria om de geboorte van de Messias aan te kondigen.
- Het is ook opvallend, dat Gabriël verschijnt aan de dienstdoend priester, die het reukoffer - het gebed om de Messias - brengt. Hij kwam niet op een ander tijdstip, bijvoorbeeld toen Zacharias met andere werkzaamheden in het tempelcomplex bezig was. Zacharias is ambtelijk in functie. God leidde het zo, dat Zacharias die morgen of middag het reukoffer zou brengen en ambtelijk in functie was om het reukoffer te brengen. ‘Terwijl hij het priesterambt bediende’ ‘voor God’. (Lukas 1:3).
- Gabriël zegt dan ook uw gebed, enkelvoud. Dat wijst erop, dat het niet primair ging om eerdere gebeden van Zacharias en Elizabet om een kind, maar het ene gebed om de komst van de Messias dat Zacharias zojuist in de vorm van het reukoffer had opgezonden. Het gaat dus niet zomaar om de verhoring van een gebed om een kind, maar om (het begin van) de verhoring van het gebed om hét beloofde Kind, de Messias, waarvan Zacharias’ kind Johannes de voorloper en Zijn profeet zal zijn. Om dit te versterken zegt Lukas 1:11 speciaal dat de engel naast het reukofferaltaar stond.
- In Lukas 1:11 noemt Lukas nog met nadruk, dat Gabriël rechts van het reukofferaltaar stond. Rechts van moet dan logischerwijs gezien worden vanuit de ooggetuige en verteller Zacharias. Dat betekent, dat Gabriël tussen het reukofferaltaar en de tafel met de toonbroden stond. Deze broden, twaalf in getal, lagen daar tot Gods gedachtenis aan de twaalf stammen van Israël.[8] Daarom moest er wierook op gelegd worden, tot een gedenkoffer. Daar sluit de gedachte op aan, dat God aan Zijn verbond en Zijn volk gedachtig is geweest, zoals Zacharias later profeteerde: ‘Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht’ (Lukas 1:68). Opvallend is in dit verband, dat de naam Zacharias betekent: de Heere is gedachtig geweest. Dit komt in de aankondiging van Gabriël ook tot uitdrukking, namelijk dat God Zacharias’ tempelgebed heeft verhoord.
De conclusie luidt dus, dat het primair het ambtelijk tempelgebed van Zacharias is om de komst van de Messias dat wordt verhoord. De verhoring van het vroegere gebed van Zacharias en Elizabeth om de kinderzegen is secundair, maar ligt er wel in verweven. Hierdoor wordt wel zichtbaar dat God Zijn raadsplan door de menselijke onmogelijkheden heen realiseert. Een dubbele onmogelijkheid zelfs: Elizabet was onvruchtbaar én te oud.
- Werd Zacharias doof?
Lukas 1: 20 En zie, u zult zwijgen en niet kunnen spreken tot op de dag dat deze dingen gebeurd zijn, omdat u mijn woorden niet geloofd hebt, die vervuld zullen worden op hun tijd.
21 En het volk stond te wachten op Zacharias; en ze waren verwonderd dat hij zo lang in de tempel bleef.
22 Toen hij naar buiten kwam, kon hij niet tot hen spreken. Zij begrepen dat hij een verschijning in de tempel gezien had. Hij wenkte hun toe en bleef stom.
23 En het gebeurde, toen de dagen van zijn dienstwerk voorbij waren, dat hij naar zijn huis ging;
De Studiebijbel NT en de HSV Studiebijbel laten bij Lukas 1:20,62,63 de mogelijkheid open dat Zacharias behalve stom ook doof was, omdat de buren bij de naamgeving van Johannes naar hem gebaren (HSV), of zoiets als gebarentaal gebruiken. Maar ook omdat de verwondering van de mensen (63) eruit bestaat, dat Zacharias dezelfde naam kiest die Elizabet even eerder noemde en die hij dus klaarblijkelijk niet had gehoord, dat wil zeggen: niet kon horen wegens doofheid.
Het Griekse kophos (Lukas 1:22) kán afhankelijk van het verband zowel stom als doof betekenen. Toch lijkt doof hier onmogelijk. Volgens Lukas 1:23 heeft Zacharias de dagen van zijn dienstwerk nog vol gemaakt. Als hij doofstom was zou priesterwerk problematisch en lastig of niet uitvoerbaar geweest zijn. Dat niet alleen, het is maar de vraag of hij dat ook nog wel mocht, gelet op Leviticus 21:17-23, waar we lezen dat een priester geen lichamelijk gebrek mocht hebben.
Zacharias heeft in ongeloof of kleingeloof gesproken. Hij wordt als straf dan ook geraakt in zijn spraakvermogen. Niet bij het hóren van de boodschap van Gabriël zondigde hij, maar bij zijn spreken. Dat hij daarom ook in zijn gehoor geraakt zou zijn is zeer onwaarschijnlijk. In Lukas 1:64 staat ook niet, dat zijn oren geopend werden, maar alleen dat zijn tong werd losgemaakt.
Het lijkt er vanuit de context daarom meer op, dat alleen Zacharias’ spraakvermogen werd weggenomen. In Lukas 1:20 lezen we immers enkel: ‘... u zult zwijgen en niet kunnen spreken’ en in 22 ’Toen hij naar buiten kwam, kon hij niet tot hen spreken’. Mogelijk heeft Zacharias toch nog wel het zegenende gebaar gemaakt (wenkte hen toe, maakte een gebaar) en heeft hij daarna het volk duidelijk gemaakt dat hij niet kon spreken. Uit een en ander begreep het volk toen dat hij een verschijning in de tempel had gezien. Het Griekse woord dat met gebaren is vertaald, kan namelijk ook betekenen wenken (SV) en knikken.
3.1 Gebarentaal?
Omdat Zacharias later, in Lukas 1:62, niet kon deelnemen aan de gesprekken heeft hij zich mogelijk wat afzijdig gehouden. Toen er vragen rezen over de naam van het kind betrok men Zacharias erbij, door zich naar hem toe te keren en met een wenk of knik uit te nodigen om te komen en de naam van zijn zoon op een schrijftafeltje te noemen. Het hoeft dus niet te betekenen, dat de buren of familie gebarentaal gebruikten (áls men dat in die tijd al kende). Het verklaart ook waarom Zacharias het niet had gehoord toen Elizabet even eerder tegenover de buren de naam Johannes noemde. Maar al had hij het wel gehoord, zou het dan zo vreemd zijn als hij het op het schrijftafeltje herhaalde en bevestigde?
Dat Elizabet de naam Johannes noemde bewijst al dat zij en Zacharias met elkaar (via het schrijftafeltje) gecommuniceerd hebben wat de engel Gabriël in de tempel had verteld, dus ook dat hun kind Johannes moest heten. Dat ze allebei dezelfde naam noemen is dan toch vanzelfsprekend en zegt niets over doofheid van Zacharias? De verwondering van de mensen heeft veeleer betrekking op het feit, dat de boreling Johannes zal heten in plaats van Zacharias.
Zacharias verloor vanwege zijn ongeloof zijn spraakvermogen. Dat is iets anders dan een verlamde tong![9] Daarmee kan iemand nog klanken voortbrengen, omdat de stembanden nog functioneren. In Lukas 1:64 staat wel dat zijn tong werd losgemaakt, maar dit is enkel een toenmalige uitdrukking voor spraak of voor spraakvermogen.
- Wat betekent de ‘Opgang uit de hoogte’
In wat wij noemen de Lofzang van Zacharias komt de uitdrukking ‘Opgang uit de hoogte’ voor (Lukas 1:78). Dit klinkt als een contradictio in terminus. Het wordt door de kanttekenaren in kanttekening 76 van de Statenvertaling gerelateerd aan de ster die in Jakob opgaat (Num. 24:17) en aan de Zon der gerechtigheid die zal opgaan (Mal. 4:2). Zij kiezen voor deze uitleg omdat die zou rijmen met het woord ‘verschijnen’ in het volgende vers 79. Ze noemen als vertaalvariant daarvan ‘verlichten’, wat aan een ster of zon doet denken.
Toch blijft op deze manier de in zichzelf tegenstrijdige uitdrukking bestaan. Bovendien doet vers 79 juist denken aan een persoon die verschijnt aan mensen (vandaar de vertaling Opgang, met hoofdletter), terwijl in genoemde teksten de ster en de zon geen personificaties zijn.
In dezelfde kanttekening vermelden zij echter wel, dat het grondwoord anatolè ook een opgaande scheut of spruit kan betekenen. Zij wijzen erop, dat de Messias zo genoemd wordt in Jer. 23:5, Zach. 3:8 en 6:12. Jer. 23:5 noemt ‘een rechtvaardige SPRUIT’, Zach. 3:8 ‘Ik ga Mijn Knecht, de SPRUIT, doen komen’ en Zach. 6:12 ‘Zie, een Man - Zijn Naam is SPRUIT, zal uit Zijn plaats opkomen’). Ook hadden ze nog kunnen noemen o.a. Jer. 33:15 ‘zal Ik voor David een SPRUIT van gerechtigheid doen opkomen’. De Septuagint vertaalde het Hebreeuwse tsémach (spruit, loot) in die teksten namelijk met anatolè.
Het gaat dus om iets wat uitspruit of nieuw verschijnt. Die laatste betekenis heeft het ook in Matt. 2:2 waar de magiërs zeggen, dat zij een ster hebben zien opgaan. Hiermee bedoelen zij een nieuwe verschijning, een nieuwe ster in haar opgang, bij het opkomen boven de horizon. Als het niet om gewassen maar om een persoon gaat dan kan anatolè als vertaling van tsémach de betekenis hebben van telg. Het zijn nu de genoemde teksten uit Jeremia en Zacharia waarin de term anatolè wel als personificatie bedoeld is en vertaald kan worden met Telg (Spruit).[10] Vanuit zijn Schriftkennis als priester heeft Zacharias, die de Septuagint ongetwijfeld kende, bij het woord anatolè gerefereerd aan deze teksten met die benaming van de komende Messias. In Lukas 1:78 gaat het dus om de ‘Telg uit de hoogte’ of uit de hoge. Hierin komt tot uitdrukking, dat de Messias enerzijds Mens is (de Telg, troonopvolger uit Davids geslacht) en anderzijds van Goddelijke oorsprong is (uit de hoogte), van boven door God gezonden.
Voetnoten:
[1] Statenvertaling kanttekening 49 bij Lukas 1:30: Kiriath-Arbe, dat is Hebron.
[2] Volgens een bron uit de vierde eeuw. Zie Jozua 21:16 en 1 Kronieken 6.
[3] Anne de Vries overdrijft als hij in zijn Groot Vertelboek en Kleutervertelboek enkele malen stelt, dat Zacharias ‘met zijn oude, bevende handen offerde en zijn ambtsgebed prevelde’. P. Cammeraat denkt in Leer en Leven, deel 3, dat zij ‘aan het eind van hun leven’ zijn gekomen.
[4] De leeftijdsgrens van vijftig jaar in Numeri 4:3 gold alleen voor bepaalde Levieten.
[5] P.A. de Rover in Naar ’t heilig blad: ‘Vurig bidt hij zijn gebed, het gebed om een kind.’
[6] Zo o.a. Joh. Calvijn. W.G. van de Hulst in De Bijbelse Geschiedenissen schrijft: ‘... de gebeden, die gij en uw vrouw Elizabeth hebt opgezonden.’
[7] Onjuist is dus wat Anne de Vries in zijn Groot Vertelboek schrijft: ‘Neen, dat was niet het gebed dat Zacharias zojuist gebeden had. Dat was het gebed van jaren oud. Toen hij nog jong was ….’
[8] Exodus 25:30 ‘Dan moet u het toonbrood op de tafel leggen; het moet er voortdurend voor Mijn aangezicht zijn.’ In Leviticus 24:5,6 worden twaalf broden genoemd, in twee rijen of stapels van zes broden.
[9] Zo Anne de Vries in het Groot Vertelboek.
[10] Zie voor een uitgebreidere bespreking Jakob van Bruggen, Lucas: het evangelie als voorgeschiedenis, Kok-Kampen, 1993, 65 e.v.