WAREN Jezus' broers ook onwetend?

 

Onder het menu Maria te schande overwoog ik, dat Maria naar buiten toe (buiten de kring van enkele intimi) niets liet blijken van het feit, dat zij zwanger was geworden uit de Heilige Geest. Zij liep daar niet triomfantelijk mee rond en ging het niet rondbazuinen. Zij zou haar zwangerschap ook verborgen hebben kunnen houden. Maria en Jozef kozen er klaarblijkelijk voor om het vervolg van de geschiedenis geheel aan God over te laten.

 

In lijn daarmee lijkt het er op, dat ook de broers van Jezus hiervan onwetend waren. In Johannes 7:5 lezen we immers dat de broers niet in Jezus geloofden. Iets wat vreemd zou zijn als ze wisten, dat Hij niet door hun vader Jozef is verwekt, maar ontvangen is uit de Heilige Geest. Niet uitgesloten is, dat zij om diezelfde reden evenmin iets afwisten van de woorden van Gabriël aan Maria, de engelenverschijning in Efratha, de wijzen uit het oosten en de vlucht naar Egypte. Lukas vermeldt twee keer (2:19,51) dat Maria "al deze woorden" en "al deze dingen" in haar hart bewaarde. Dit zou wellicht ook kunnen betekenen, dat Maria en Jozef deze woorden en deze dingen naar buiten toe verborgen hebben gehouden.

 

De HSV Studiebijbel tekent bij Joh. 7:5 aan: ‘Zo echt was Jezus’ mensheid en zo verborgen Zijn Godheid, voordat Zijn openbare dienstwerk begon, dat zelfs zij die bijna 30 jaar met Hem in hetzelfde huis hadden gewoond en in dezelfde ruimte als Hij hadden gegeten en geslapen, niet wisten Wie Hij was’.

 

Niet alleen Jezus verborg Zijn Godheid, ook Jozef en Maria hebben Zijn goddelijke afkomst (uit de Heilige Geest) voor de broers kennelijk verborgen gehouden. Dat wil nog niet zeggen, dat dezen het niet hadden kúnnen opmaken uit Zijn woorden, gedrag en daden. Maar ze zagen Hem enkel als een vrome broer, als gewoon mens, hun natuurlijke broer zelfs wellicht. Maar dat Hij de Zoon van God was, de Gezalfde des HEEREN (Messias), drong niet tot hen door. Ondanks de wonderen die Jezus verrichtte en het getuigenis van de discipelen. Daarin waren zij onder het volk bepaald niet de enigen. Zelfs in de directe discipelkring drong pas na de opstanding het inzicht door, dat de Zoon des mensen als Knecht des HEEREN moest lijden en sterven en voor verzoening van de zonden zorgen.

 

Dat de broers niet in Jezus geloofden betekent overigens niet, dat zij tegenstanders van Hem waren. Zij willen zelfs dat Hij in Judea openlijk voor Zijn missie uitkomt (Joh. 7:4). Ze zagen wel, dat Hij rabbi was zonder opleiding, dat Hij gaven had en wonderen deed. Ze zagen hem echter mogelijk meer als profeet en wonderdoener. Dat Hij dé Profeet was, dé Messias, dat Hij Gods Zoon was, geloofden zij niet. Ook later niet toen Jezus openbaar optrad en liet blijken dat God Zijn Vader was namen zij dat niet over. Pas na de opstanding blijken de broers tot geloof te zijn gekomen en verkeren zij met hun moeder Maria in de apostelkring. 

 

TvdB 22022026