eNGELEN en herders
Engelen en herders
Engelenverschijning aan herders
Lukas 2: 8-14.
8 En er waren herders in diezelfde streek, die zich ophielden in het open veld en 's nachts de wacht hielden over hun kudde.
- En zie, een engel van de Heere stond bij hen en de heerlijkheid van de Heere omscheen hen en zij werden zeer bevreesd.
- En de engel zei tegen hen: Wees niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die voor heel het volk wezen zal,
- namelijk dat heden voor u geboren is de Zaligmaker, in de stad van David; Hij is Christus, de Heere.
- En dit zal voor u het teken zijn: u zult een Kindje vinden in windsels gewikkeld en liggend in de kribbe.
- En plotseling was er bij de engel een menigte van de hemelse legermacht, die God loofde en zei:
- Eer zij aan God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in mensen een welbehagen.
15 En het geschiedde, toen de engelen van hen weggegaan waren naar de hemel, dat de herders tegen elkaar zeiden: Laten wij dan naar Bethlehem gaan en dat woord zien dat er geschied is, dat de Heere ons bekendgemaakt heeft.
- En zij gingen met haast en vonden Maria en Jozef, en het Kindje liggend in de kribbe.
Herders en schapen
Uit het Oude Testament en het Nieuwe Testament blijkt dat men in heel Israël schapen hield. De kudden verbleven overdag in de velden. Elke herder had zijn eigen kudde. Het woordje hun kudde in Lukas 2:8, samen met het feit dat Lukas meer herders noemt, kan erop wijzen, dat het in Lukas 2 om herders van verschillende kudden gaat. Dit beeld schetst ook Johannes 10:3,4. Zij kwamen voor de nacht bijeen uit oogpunt van veiligheid en gezelligheid. De schapen verbleven dan in een grot of in een met stenen omheinde ruimte op het veld, een schaapskooi, met een opening of deur. Zo hadden dieven en roofdieren geen kans en het maakte het tellen van de schapen makkelijker. Herders zetten zich bij toerbeurt in of voor de opening om de ruimte af te sluiten, of zij zaten voor de deur als deurwachter.
Dat de herders zich ophielden ‘in het open veld’ (Luk. 2:8) betekent dus niet dat de schapen zomaar in het veld verspreid lagen. Dat zou te gevaarlijk zijn. Lukas wilde slechts aangeven, dat de herders buiten Bethlehem waren. Het waren vaak mannen en jongens (zoals David eens) uit de omgeving. Dat herders slecht bekend stonden wordt vaak betoogd, maar ook bestreden. Jezus schetst een positief beeld van hen en noemt ook Zichzelf Herder. Israël was immers van origine een herdersvolk, zoals de aartsvaders. Wel was herder een zwaar beroep en herders hoorden tot de sociaal lagere klasse.[1]
Engelenverschijning
Het moet een overweldigende indruk op de herders gemaakt hebben toen ze plotseling in het licht gezet werden en de ontzagwekkende, blinkende verschijning van een engel zagen. Probeer het voor te stellen: terwijl ze nietsvermoedend in het duister van de nacht waken over hun kudden, verschijnt daar plotseling een hemelbode; en als deze is uitgesproken nog eens een legermacht van duizenden engelen. Hun verschijning boezemt hen enorm ontzag in. Menselijkerwijs gesproken is het geen wonder dat ze hevig schrikken en vrezen. Zoiets was ook nooit eerder door mensen gezien. Weliswaar zag Jakob engelen op een ladder omhoog en omlaag klimmen, maar dat was in een droom. Later zag hij echt engelen van God (Gen. 32:1), maar blijkbaar geen groot aantal. De dienaar van Elisa zag dat de berg waarop zij stonden vol paarden en vurige wagens was, waarschijnlijk met strijdengelen, maar dat was nog visionair.
Daarom gaat van dit volstrekt unieke gebeuren in Lukas 2 een enorme boodschap uit. Dit moet om wereldnieuws van de hoogste orde gaan. Dat was ook zo, want zo meteen proclameert de engel, wiens naam niet wordt vermeld, dat de lang beloofde Zaligmaker van de wereld is geboren. Hij is een Heere, Kurios, Wiens werk van wereldomvattende betekenis zal zijn. Laten we enkele details uit dit geboortebericht eens nader bezien.
De Sjechina (heerlijkheid) van God
De engel die Jezus’ geboorte aankondigt ‘stond’ bij de herders. Hij zweefde niet, maar stond op de aarde, ónze aarde, vlak bij hen. Hij kwam uit de hemel en ineens was hij er. En tegelijkertijd was het heel licht om de herders heen. Er staat immers dat de heerlijkheid des Heeren de herders omscheen. Met andere woorden: het kwam van alle kanten, de herders zaten er middenin. Dat licht werd dus niet door de engel verspreid; die stond er zelf ook in.
Ook was het geen gewoon licht, maar de heerlijkheid des Heeren. Dat is de goddelijke glans en aanwezigheid van God, want God is licht. Die verscheen tot dan toe eigenlijk alleen in de tabernakel en later in de tempel van Salomo. Dat was echter al weer lang geleden. Maar nu omstraalt het mensen rechtstreeks. Zo was het door de profeet Jesaja ook aangekondigd: ‘Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid van de HEERE gaat over u op’ (Jes. 60:1). Nu mogen uitgerekend eenvoudige herders deze zien, als teken, dat het Evangelie van de verlossing door Christus, de blijde boodschap, voor iedereen bestemd is, wie je ook bent. Het houdt in, dat God nu bij de mensen komt wonen in de Persoon van Jezus om licht te brengen in deze duistere en bedreigde wereld. Zo zegt de engel ook dat de grote blijdschap heel het volk Israël ten deel zal vallen. Maar die is uiteindelijk bestemd voor alle volken. Jezus zelf wilde later dan ook dat ‘in Zijn Naam onder alle volken bekering en vergeving van zonden gepredikt moet worden’ (Luk. 24:47).
Proclamatie
De herders horen dat terug in de boodschap van de engel. Triomfantelijk proclameert deze op heel plechtige wijze, net als bij een geboortekaartje: ‘heden is voor u geboren de Zaligmaker’. Het woord heden veronderstelt zojuist, in deze nacht. Ook het woord ‘voor u geboren’ is belangrijk. Het is geadresseerd aan de herders, maar iedereen mag bij ‘u’ zijn eigen naam invullen. De grote blijdschap is, dat de Zaligmaker Jezus geboren is en dat voor iedereen die Hem en Zijn verlossingswerk nodig heeft weer hoop en uitzicht, leven is.
Strijdleger
Als de engel uitgesproken is verschijnt er plotseling, om zo te zeggen uit het niets, een menigte van duizenden engelen, die God loofde. Bijna altijd wordt gedacht, dat deze engelen ‘door het luchtruim zweven’. Maar Lukas schrijft: ze waren bij de eerste engel, dus eveneens op de aarde. Deze menigte engelen is een hemelse legermacht, die op de aarde staat. Het zijn strijdengelen, die een strijdleger van koning Jezus vormen.
Engelen zijn geesten, die tot taak hebben om God te dienen, Hem te loven of voor Hem te strijden. Zij bewaken Gods eer en heiligheid en kunnen daarom ook troongeesten genoemd worden. Soms ontvangen zij voor een bepaald doel een zichtbare gestalte van een mens. Ezechiël zag in visioenen engelen met vleugels. Maar in het Nieuwe Testamant lezen we daar niet van, ook niet bij de herders. Bij de opstanding van Jezus verschijnen zij in witte kleding. De Bijbel kent wel een onderscheid tussen gewone engelen en aartsengelen (zoals Gabriël en Michael) en noemt ook cherubs en serafs. Cherubs stonden op de Ark van het verbond boven het verzoendeksel met hun vleugels naar elkaar toe. God troonde daar tussen de cherubs (Psalm 99:1). Cherubs komen we echter al eerder tegen in Genesis 3:24. Met een vlammend zwaard moeten zij Adam en Eva beletten terug te keren naar de boom des levens. Nu, in Lukas 2, komen diezelfde cherubs verkondigen dat de weg naar het leven weer geopend wordt door de geboren Zaligmaker.
Spreekkoor
Kennelijk zijn het deze cherubs die hier verschijnen als een hemelse legermacht. Zodra de eerste engel zijn boodschap heeft verkondigd roept dit hemelse strijdleger de overwinning uit van Christus, Die het Hoofd is van ’s hemels legermacht.[2] Zij juichen, zoals bij het begin van de schepping (Job 38:7). Deze legermacht is het bewijs, dat op aarde een bruggenhoofd wordt gevestigd van Christus’ Koninkrijk. Dat ze, zoals gezegd, op de aarde staan is dan ook een veelzeggend teken. Intussen: wat een contrast! Een Gezalfde Heere (Heerser, Micha 5:1) en Koning in … een kribbe, die een strijdleger heeft! Het begin van de overwinning op satan is er, de Vredevorst Christus staat er garant voor. Mensen zullen er in delen. Zo riepen deze strijdengelen als uit één mond: ‘Ere aan God in de hoogste … vrede op aarde …. in mensen welbehagen.’ Vaak wordt verteld, dat de engelen zongen, maar het was in feite een spreekkoor dat deze drie lofprijzingen scandeerde.
Wat zal dit een enorme indruk op de herders gemaakt hebben. Zoveel blijde engelen, die een machtig spreekkoor aanheffen en God de eer gaven. En dat voor slechts .... een handjevol herders.
Hoe de herders het Kind vonden
Nadat de engel de herders de geboorte van Christus in Bethlehem heeft verkondigd zegt hij in 2:12: ‘En dit zal voor u het teken zijn: u zult een Kindje vinden, in windsels gewonden en liggend in de kribbe’ (vertaling van mijzelf, TvdB). In het woord vinden hoorden de herders een aansporing om naar Bethlehem te gaan. Bij het horen van het woord kribbe beseffen zij in een woning te moeten zijn. Daar bevinden zich immers de kribben. Maar waar in Bethlehem is dat? Soms wordt gedacht aan hun eigen stal. Dat dit niet mogelijk is, wordt in het boek nader toegelicht. Ze waren, zoals zal blijken, ook niet uit Bethlehem afkomstig. Moesten ze dan alle huizen in Bethlehem afgaan? Het antwoord is: ze vinden het huis op dezelfde wijze als Jozef en Maria, door navraag te doen bij de davidische stamoudste. De herders begrepen ongetwijfeld, dat deze geboren Koning te vinden was in het huis van de belangrijkste man uit Davids geslacht. Zo niet, dan wist deze in elk geval alles wat er binnen zijn familiegroep gebeurde en ook de woning van de geboren Koning. Zo vinden ze gemakkelijk Maria, Jozef, en ‘het Kindje liggend in de kribbe’ (2:16).
Dat hun bezoek pas overdag plaatsvond blijkt uit de tijd die zij nodig hadden om in Bethlehem te komen. Lukas schrijft in 2:8 namelijk dat de herders zich ‘in diezelfde streek’ ophielden als waar Jezus werd geboren. Het voor streek gebruikte woord choora ziet echter op een groter gebied dan direct bij Bethlehem (Van Bruggen), een regio. Lukas noemt Efratha niet, mogelijk bedoelde hij dat wel (‘diezelfde streek’). Evenmin schreef hij dat de herders bij Bethlehem waren. In 2:15 zeggen zij tegen elkaar: ‘Laten wij dan naar Bethlehem gaan.’ Wie al (vlak)bij Bethlehem is, zegt dit zo niet. Evenmin iemand die zelf in Bethlehem woont. Het woord voor gaan dat hier gebruikt wordt, doelt op een wat langere reis, doorgaan of doortrekken.[3] Dat blijkt ook uit 2:16 waar we lezen, dat zij met haast kwamen bij Jozef en Maria met het Kind in de kribbe. Ten onrechte is in de HSV kwamen veranderd in gingen. Het Griekse woord ēlthan betekent echter duidelijk kwamen. Dat is door Lukas ook zo bedoeld. Hij vermeldt dit kwamen gezien vanuit de vertelster, Maria, die hem de informatie uit Lukas 1 en 2 waarschijnlijk heeft verstrekt.
Het Griekse woord speusantes, dat vertaald is als met haast, moet binnen de context worden begrepen. Het betekent niet, dat zij abrupt en halsoverkop in het aardedonker over de rotsachtige velden zijn gaan rennen.[4] De HSV vertaling ‘gingen met haast’ geeft daar ook ten onrechte aanleiding toe. Dat was echter veel te gevaarlijk, niet nodig en ook niet mogelijk gezien de langere afstand. Het woordje haast moet daarom worden uitgelegd als rechtstreeks, zonder omwegen en oponthoud. Naar Bethlehem gaan moet dan ook worden vertaald als doortrekken of doorgaan naar Bethlehem.[5] Dat wil zeggen dat zij, toen het dag werd, direct met kudde en al via de snelste route naar Bethlehem doortrokken en niet al weidend met alle omwegen en vertraging van dien (Van Bruggen).[6]
Een ingebakerde Baby en de kribbe als teken
Lukas 2:12 luidt: ‘En dit zal voor u het teken zijn: u zult een Kindje vinden, in windsels gewonden en liggend in de kribbe’ (vertaling van mijzelf, TvdB). Wat is nu precies de betekenis van het teken? Vaak wordt eronder verstaan dat de lompen en de kribbe zo bizar en ongebruikelijk waren, dat de herders Jezus daaraan konden herkennen, en in de extreme armoede en de armoedige omstandigheden van een stal een beeld zagen van Zijn vernedering. We weten echter dat de zwachtels en de inbakering een normaal gebruik voor die tijd waren. In vers 16, bij het bezoek van de herders in de stal, worden de ‘doeken’ dan ook niet meer genoemd. Dat kan daarom geen teken van iets ongewoons zijn. Het gaat trouwens om enkelvoud, ‘teken’. Dan is de vraag: was het teken misschien het bizarre gebruik van de kribbe als wieg zelf? Waarschijnlijk niet als zodanig. Bishop kon zich voorstellen, dat dit vaker voorkwam.[7]
Daarop wijst ook het lidwoord de kribbe in Lukas 2:12. Handschriften verschillen daarin, maar de Textus Receptus leest daar ‘u zult een Kind vinden, ingebakerd en liggend in de (τῇ) kribbe’. Het gebruik van dit lidwoord op deze plaats wijst ‘op de ene voerbak die bij het betreffende huis hoorde’.[8] Lukas spreekt erover op een vanzelfsprekende manier, wat ook geldt voor het feit, dat een baby in de kribbe ligt. Als dat op zichzelf abnormaal zou zijn geweest dan zou Lukas eerder vol verbazing hebben geschreven ‘liggend in een kribbe’. Het gebruik van de kribbe als wieg lijkt op zich niet zo vreemd te zijn. Gewoon, een ingebakerde baby in de kribbe. Dat correspondeert met Lukas 2:7 waar staat, dat Maria het Kind in de kribbe neerlegde en ook met 2:16 waar een meerderheid van de handschriften heeft dat de herders het Kind in de kribbe vonden. Het gaat bij het teken dus niet om het bizarre van de kribbe als zodanig.
De betekenis van het teken
- Door de vertelstructuur laat Lukas in 2:7 de nadruk vallen op de kribbe.[9] Daarmee tekent hij het bijzondere en onverwachte van de plaats waar deze Messias-Koning Zich als Baby bevindt. Lukas tekent immers het contrast tussen ‘kribbe’ en ‘geen plaats in de gastenkamer’ waardoor hij licht laat vallen op de vrijwillige vernedering van Christus, Die de laagste plaats wilde innemen. Hij ligt immers niet in de ereplaats van de gastenkamer maar in de bijruimte van een woonhuis die als opslagplaats annex stal diende en waar normaal geen kind geboren werd. Je zou daar nooit in de kribbe de Messias-Koning van Israël verwachten. Hij is evenmin geboren in een paleis, in Jeruzalem of bij een aanzienlijke Wetgeleerde of Rabbi, maar bij een huis in Bethlehem. Dat was voor de herders het verrassende: hun Zaligmaker vond het niet te min om daar, in de minste plaats geboren te worden. Het teken is zo bezien zowel het onverwacht gewone (gewoon een ingebakerde Baby), als het verrassend ongewone (de afwijkende, nederige ruimte waarin dit Kind is geboren en in de kribbe ligt). Het teken onderstreept dus Christus’ diep vernedering. De omstandigheden zijn er even sober als in het eenvoudige milieu van de herders, die een sociaal lage positie bekleedden. Het verrassende is voor hen dat de Messias Zijn aardse leven begint als zijnde een van hen. Hij daalt af op hun niveau. Hij werd gewoon Mens onder de mensen. Christus’ nederige geboorte is voor hen een teken en illustratie dat het waar is wat de engel zei “heden is voor u geboren de Zaligmaker’.
- Het teken onderstreept dat het om een pas geboren, ingebakerd Kind gaat. De engel noemt dit Kind de Zaligmaker (Soter) en zegt over Hem, dat hij is (hos estin) ‘Christos Kyrios’ (Luk 2:11). Christos betekent Messias, de Gezalfde des Heeren en Kyrios betekent Heere. Hij is (estin) dat nu al, als Baby. Hij komt niet pas later als zodanig onder het volk openbaar, zoals de algemene verwachting was, maar begon Zijn werk als Zaligmaker als kwetsbaar klein Kindje. Hoe verrassend! Dit Kind is ook de Davidische Koning geboren in de stad van David. Hij wórdt later geen Koning, maar is als Koning geboren, volgens Jezus’ eigen woorden (Joh. 18:37).
Voetnoten
[1] Alfred Edersheim concludeert in The Life and Times of Jesus the Messiah, Longmans Green & Co, London, 1883, Book II, Chapter VI, uit de Misjna’s Baba Kamma 7.7, 80a en Shekaliem 7.4, te snel dat de schapen bij Bethlehem voor tempeloffers bestemd waren en dat hun herders daarom een speciale status hadden (‘not ordinary shepherds’). Baba Kamma 7.7 en 80a vermelden dit zelf zo evenwel niet, evenmin dat de herders in dienst van de priesters en speciaal opgeleid waren. Het gaat daar enkel om een verbod op het fokken van kleine huisdieren in bepaalde gebieden. Shekaliem 7.4 regelt enkel o.a. de bestemming van verdwaald vee rond Jeruzalem. In de Evangeliën worden geen speciaal soort herders genoemd. De herders uit Lukas 2:8 kunnen dus gewone, eenvoudige herders zijn geweest, zoals er in die dagen meer waren (Lukas 15:4).
[2] Psalm 24: 6 berijmd, uitgaande van de christologische betekenis van de laatste verzen van deze psalm.
[3] Jakob van Bruggen, Lucas, 84. Het Griekse woord dielthomen betekent doorgaan of doortrekken, zoals andere vertalingen het ook toepasten. De HSV heeft in Lukas 2:15 ‘laten wij nu naar Bethlehem gaan’ terecht weer veranderd in ‘laten wij dan naar Bethlehem gaan’, als in de SV.
[4] Gesina Ingwersen: ‘Ze lopen zo hard ze kunnen.’ De Vries: ‘En haastig gingen ze achter elkaar door het duistere land.’
[5] B. Wielenga in Een Kind is ons geboren noemt eveneens ‘doortrekken’.
[6] Bijna alle vertellers menen, dat de herders de schapen zomaar in het veld achterlieten, want God zou wel voor hen zorgen. Maar een echte herder zal dit nooit doen. Nog daargelaten dat schapen op het veld ’s nachts altijd veilig in een ommuurde, afsluitbare ruimte of grot waren. Hoewel het in dit geval wél om een echte stal zou gaan kwam niemand op deze gedachte.
[7] Eric F.F. Bishop, Jesus of Palestine (London: Lutterworth Press, 1955), 42, noteerde in zijn commentaar bij Lukas 2:7. ‘Such a manger being immovable, filled with crushed straw, would do duty for a cradle. An infant might even be left in safety, especially if swaddled, when the mother was absent on temporary business’. Bishop was een Brits geleerde uit de vorige eeuw en kenner van de Palestijnse cultuur en het Nieuwe Testament. Hij was o.a. verbonden aan de Newman School of Missions in Jeruzalem.
[8] Jakob van Bruggen, Lucas, 76. De grote meerderheid van de handschriften heeft de kribbe.
[9] Jakob van Bruggen, Lucas, 69.