Jezus in de tempel aan Zijn Vader gewijd - niet gelost
Simeon, Anna en het reinigingsoffer
Lukas 2:22-35
22 En toen de dagen van haar reiniging volgens de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem de Heere voor te stellen 23. – zoals geschreven staat in de wet van de Heere: al wat mannelijk is dat de moederschoot opent, zal heilig voor de Heere genoemd worden – 24. en om een offer te brengen volgens wat gezegd is in de wet van de Heere, een paar tortelduiven of twee jonge duiven. 25 En zie, er was een man in Jeruzalem, van wie de naam Simeon was, en die man was rechtvaardig en godvrezend. Hij verwachtte de vertroosting van Israël en de Heilige Geest was op hem. 26. En hem was een Goddelijke openbaring gegeven door de Heilige Geest dat hij de dood niet zien zou voordat hij de Gezalfde van de Heere zou zien. 27. En hij kwam door de Geest in de tempel. En toen de ouders het Kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen volgens de gewoonte van de wet, 28. nam hij Het in zijn armen, loofde God en zei: 29. Nu laat U, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, volgens Uw woord, 30. want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, 31. die U bereid hebt voor de ogen van alle volken, 32. een licht om de heidenen te verlichten en om Uw volk Israël te verheerlijken. 33. En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over wat er over Hem gezegd werd. 34. En Simeon zegende hen en zei tegen Maria, Zijn moeder: Zie, dit Kind is bestemd tot val en opstanding van velen in Israël en tot een teken dat tegengesproken zal worden 35. – ook door uw eigen ziel zal een zwaard gaan – opdat de overwegingen uit veel harten openbaar worden.
Als de veertig dagen van Maria’s onreinheid voorbij zijn, gaan Jozef en zij naar de tempel om haar reinigingsoffer te brengen en - wat voor Lukas belangrijker lijkt - Jezus aan de Heere voor te stellen, te wijden. Lukas plaatst dit voorop, maar het is in volgorde de laatste handeling.
In de voorhof der heidenen koopt Jozef eerst voor Maria een paar tortelduiven of twee jonge duiven.[1] Omdat Lukas alleen deze duiven noemt mogen we aannemen, dat zij het zogenaamde 'offer der armen' brachten. Als pas gehuwd paar - het huwelijk en de bruiloft had ook het nodige gekost - waren ze vanzelf niet erg bemiddeld. Veruit het merendeel van de bevolking was trouwens arm[2]. Uit niets blijkt dat Jozef en Maria extreem arm waren.
Daarna bestijgen ze de trappen naar het tempelcomplex en betreden via de Schone Poort de voorhof der vrouwen. Bij binnenkomst ervan komen Simeon en Anna op Jozef en Maria met haar Kind af. Simeon en Anna symboliseren de gelovigen van de oude bedeling, die uitzagen naar de komst van de Messias en waarvan zij als twee getuigen de vervulling mogen zien.
Simeon
Van Simeon is, behalve dat hij oud, rechtvaardig en godvrezend was, verder niets bekend.[3] Hij blijkt door de Geest van God geleid te zijn om op die plaats en dat tijdstip de Gezalfde van de Heere te zien. Jozef en Maria merken daarin ongetwijfeld Gods handelen op, zoals ook bij de komst van de herders. Simeon looft God als hij Gods Gezalfde en Zaligmaker mag vasthouden, spreekt profetische woorden over Zijn werk, Zijn lijden, sterven en de reactie van het volk. Ten slotte zegent hij Jozef, Maria en het Kind.
Opvallend is de volgorde in vers 32 waarin de betekenis van Christus’ werk wordt getekend. Simeon noemt eerst alle volken, dan de heidenen en ten slotte Israël. In die volgorde is het ook gegaan, wat doet denken aan Romeinen 11:11,15 ‘Door hun val echter is de zaligheid tot de heidenen gekomen om hen tot jaloersheid te verwekken. Want als hun verwerping verzoening voor de wereld betekent, wat betekent dan hun aanneming anders dan leven uit de doden?’ De vertaling ‘om Uw volk Israël te verheerlijken’ doet ten onrechte aan volksverheerlijking denken. Het gaat er echter om, dat het volk tot heerlijkheid gebracht wordt. De SV vertaalde ‘tot heerlijkheid van uw volk Israël’ (tot roem van, of tot eer van). De King James heeft eveneens ‘A light to (...) the glory of thy people Israel.’
In vers 34 leest men vaak dat Christus voor velen in Israël óf een val óf een opstanding zal zijn. Maar dan moest er staan ‘voor allen’ omdat er maar twee mogelijkheden zijn. Maar er staat duidelijk val én opstanding en dat voor velen. Het Griekse anastasis kan ook vertaald worden met verdelging.[4] Dan slaat zowel de ‘val en verdelging’ van velen in Israël als van hen die ‘tegenspreken’ op twee negatieve reacties op Christus’ werk en zij vertegenwoordigen niet twee groepen mensen, maar slechts één: zij die Jezus afwijzen. Het verwerpen van Jezus en de tegenspraak op Zijn werk zal hun val en uitdelging ten gevolge hebben. Dat past ook bij vers 32. Zo zullen de gedachten uit vele harten openbaar komen.
Omdat Simeon zich nadrukkelijk met deze woorden tot Maria richt zou men hierin een profetische heenwijzing kunnen lezen, dat Jozef dan niet meer zal leven.
Anna
Anna (de Griekse vorm van Hanna) valt Simeon bij.[5] Dat zij specifiek wordt aangeduid als de dochter van Fanuel kan er op wijzen, dat haar vader een belangrijke positie heeft bekleed en bekendheid heeft genoten. De naam van haar man en zijn afkomst worden opmerkelijk genoeg niet meegedeeld. Zij was uit de stam van Aser (noordelijk, aan de kust) maar woonde in Jeruzalem. Lukas bedoelt met deze vermelding wellicht, dat Anna de twaalf stammen representeert. Mogelijk stamde zij af van ballingen die terugkeerden naar Judea. Uit vers 37 valt overigens niet eenduidig op te maken of Anna nu 84 jaar was, dan wel 84 jaar weduwe en dus rond de 100 jaar oud. Het eerste lijkt aannemelijker. Haar toewijding aan de dienst van God in de tempel staat echter in de tekst voorop.
Zij is profetes, d.w.z. dat zij een bijzondere gave van de Heilige Geest had ontvangen om Gods wil te verstaan, de tijd te doorzien, Gods Woorden betekenis te geven en daarover te spreken (38). Daar hoort ook haar toegewijde leven met vasten en biddend volharden in de tempel bij.
In vers 38 staat, dat zij ‘de tempel niet verliet en met vasten en bidden God nacht en dag diende.’ De nacht staat voorop. Wijst dit ook op haar biddend leven als oude (en wellicht kinderloze) weduwe, juist in de eenzaamheid van de nacht? Van haar geldt wat Paulus schreef: ‘Zij nu die werkelijk weduwe is, en alleen is overgebleven, hoopt op God, en volhardt in smekingen en gebeden, nacht en dag’ (1 Tim. 5:5). Haar vasten en bidden, ‘nacht en dag’ om de (ver)lossing in Jeruzalem blijkt niet voor niets te zijn geweest. Dat zij de tempel niet verliet betekent niet, dat zij er dag en nacht was en nooit uit het tempelcomplex wegging. Ze wist blijkens vers 38 immers precies waar de vromen woonden. Bedoeld is, dat ze er dagelijks was en lang bleef (kanttekening SV). De tempel was bijna haar huis geworden en haar Maker haar Man. Doordat zij er langdurig verbleef is ze er ook nu te vinden. Daarbij wordt haar oog getrokken naar Simeon, die ze gekend moet hebben. Ze ziet wat er gebeurt en voegt zich bij hem. Dat ook zij in het Kind de Messias ziet veronderstelt, dat zij wist van Gods openbaring aan Simeon. Zo belijdt of dankt ook zij de Heere (Kurios). Het gebruikte woord anthoomologeito laat zien, dat zij aanhaakt bij Simeons woorden en deze overneemt. In plaats van ‘eveneens’ kan gelezen worden ‘... en beleed evenzo de Heere...’ (SV: insgelijks).
Het reinigingsoffer
Na de ontmoeting met Simeon en Anna lopen Jozef en Maria verder door de voorhof der vrouwen naar de trappen bij de Nicanorpoort, waarachter de eigenlijke tempel lag. Bovenaan gekomen mag Maria niet verder door de poort. Er voorbij ligt het gebied waar de priesters hun werk verrichten en waarnaast ook de voorhof van de Israëlieten is, bestemd voor de mannen.
Jozef mag dus wel verder en vervoegt zich bij de priester voor het reinigingsoffer. Maria mag vanuit de poort de verrichtingen gadeslaan. Over het reinigingsoffer voor Maria lezen we in Leviticus 12:6. 'Wanneer de dagen van haar reiniging voor een zoon of een dochter voorbij zijn, moet zij een lam van een jaar oud als brandoffer en een jonge duif of tortelduif als zondoffer bij de priester brengen, bij de ingang van de tent van ontmoeting.' En Leviticus 12:8 'Maar als haar vermogen niet toereikend is voor een lam, dan mag zij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen, één als brandoffer en één als zondoffer. Zo zal de priester verzoening voor haar doen en is zij rein.' De ene duif is een brandoffer ter verzoening, de andere ten zondoffer, waardoor Maria weer rein verklaard wordt.
De uitdrukking 'haar’ reiniging (SV, HSV) is analoog aan Leviticus 12:6 in de Septuagint, die Lukas waarschijnlijk gebruikte. Het gaat dus om het offer van de kraamvrouw. Volgens vers 6 en 7 moet zij het offer bij de priester brengen, die ‘voor haar’ verzoening moet doen. ‘Haar reiniging’ lijkt dus het aannemelijkst. Handschriften verschillen echter nogal. Er zijn er ook die ‘Zijn’ (Jezus’) en ‘hun’ reiniging weergeven. Een offer voor (alleen) de reiniging van Jezus is in tegenspraak met Leviticus 12:7 waar duidelijk gesproken wordt over de onreinheid vanwege de bloedvloeiing van de vrouw. Calvijn en anderen houden zich daarom aan ‘hun reiniging’, namelijk van Maria en Jezus. In Leviticus 12 wordt echter niet expliciet vermeld, dat ook de pas geborene onrein is. Nu was de kraamvrouw zeven dagen onrein en mocht zij niets en niemand aanraken. De besnijdenis vond onder meer daarom pas op de achtste dag plaats. Het was echter wel onvermijdelijk, dat de moeder het kind in die zeven dagen aanraakte. Denk aan het wikkelen in windsels, wat Maria zelf deed, en aan huidcontact bij het voeden (zogen). Bovendien kon het kind bij de geboorte met het bloed van de moeder in contact geweest zijn. Om die reden zou het onrein zijn of kunnen worden.[6] Zo stelt art. 34 van de Ned. Gel. Bel. aan het slot: ‘dat de Heere in de wet beval de kinderen mee te delen (= deelachtig te laten worden, TvdB) het sacrament van het lijden en sterven van Christus, kort nadat zij geboren waren, offerende voor hen (= de kinderen, TvdB) een lammetje'. Dit ligt in lijn met Calvijns opvatting. Toch blijft de vraag of dit ingeval van Jezus wel opgaat. Later raakte Hij bijvoorbeeld een melaatse aan zonder zelf onrein te worden. Als het offer dus toch ook voor Jezus was zou gezegd kunnen worden, dat Hij als een onreine gerekend wilde worden. In elk geval kan gezegd worden, dat het offer voor Maria’s reiniging niet los stond van de geboorte van het Kind. Als gekozen wordt voor ‘hun’ reiniging, dan ziet dat op haar betrekking tot Jezus, Wiens geboorte de aanleiding was tot haar onreinheid.
Jezus aan Zijn Vader gewijd, dus niet losgekocht
Na het reinigingsoffer wordt Jezus aan de Heere ‘voorgesteld’ (Luk. 2:22). Dit ‘voorstellen’ of wijden (heiligen) hield in, dat de ouders het kind in de tempel aan de priester gaven, waarna deze het Kind in de armen nam en het zegende. Zo bieden Jozef en Maria Jezus aan de Heere aan en wijden Hem aan de dienst aan God. Dit doet denken aan Hanna (die evenals Maria een lofzang aanhief) die Samuël bestemde voor de dienst in de tempel (1 Sam.1:11,24,28). ‘Ze erkennen met deze reis de hemelse Vader!’[7] Met dit voorstellen aan de Heere tonen zij hun erkenning dat dit Kind de Zoon van God is en een speciale taak heeft in de dienst aan zijn Vader. Daarom brengen ze Hem ook naar de tempel, het huis van God, Zijn Vader.
Het gaat hier dus niet, zoals vaak gedacht wordt, om het loskopen van Jezus met vijf sikkels.[8] Ten eerste hoefde dat niet noodzakelijk in de tempel plaats te vinden en ook niet zo snel mogelijk. Het mocht ook later. Ten tweede: Lukas verwijst niet naar het lossen uit Exodus 13:13,[9] maar naar 13:2 waar enkel staat: ‘Heilig voor Mij alle eerstgeborenen: alles wat de baarmoeder opent onder de Israëlieten, van de mensen en van het vee, dat behoort Mij toe.’ Jezus moest immers juist niet gelost worden. Hij is toch krachtens geboorte en Goddelijke afkomst bij uitstek volkomen aan de Heere geheiligd en toegewijd? Hij is heilig (Luk. 1:35). Daarom noemt Lukas alleen het ‘voorstellen’ en de eventuele loskoop wordt niet beschreven. Vers 23 is zo eigenlijk de uitleg van vers 22b.
Overigens bleef lossing achterwege als aan het vaderschap getwijfeld werd.[10] De zoon kon zich later eventueel zelf lossen. Jozef was niet de natuurlijke vader, dus dat hij Jezus moest loskopen ligt ook niet voor de hand. Het vroeg intussen van Jozef geloof en geestelijk inzicht om in te zien, dat Jezus niet losgekocht, maar gewijd moest worden aan Zijn hemelse Vader. De wijding van Jezus betekent overigens niet, dat men in die tijd alle eerstgeborenen in de tempel aan de Heere voorstelde. Loskoping in de eigen woonplaats was genoeg.
Ten slotte kan opgemerkt worden, dat deze wijding in de tempel een prelude is op Lukas 2:49, waar we de eerste woorden van Christus’ prediking en Zelfopenbaring horen: ‘Wist u niet, dat Ik moet zijn in de dingen van mijn Vader?’ Daar zet de twaalfjarige Jezus Zelf zijn wijding aan Zijn Vader in de tempel voort ‘met loslating van Jozef en Maria’ (Van Bruggen).
Lukas 2:39 En toen zij alles volbracht hadden wat er volgens de wet van de Heere gedaan moest worden, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth.
Is wat Lukas schrijft niet in strijd met wat Mattheüs vermeldt? Na het tempelbezoek moeten Jozef en Maria immers naar Bethlehem zijn gegaan, waar de wijzen uit het Oosten Jezus hulde brengen. Lukas beschrijft echter waar zij uiteindelijk terecht kwamen, in Nazareth. Mattheüs laat zien hoe zij met Jezus in Nazareth kwamen, namelijk nadat ze eerst voor Herodes moesten uitwijken naar Egypte. Vanuit Egypte wilde Jozef trouwens ook waarschijnlijk weer naar Bethlehem gaan. Maar het was Gods bedoeling dat Jezus in Nazareth zou opgroeien. Zie het menu Nazoreeër.
Voetnoten
[1] Tortelduiven waren er pas vanaf het begin van de lente.
[2] Raymond R. Hausoul, Zo leefde Jezus, 2025 KokBoekencentrum, p. 15.
[3] Volgens het Proto-evangelie van Jakobus was hij hogepriester, maar gelet op de aard van dit geschrift lijkt dit enkel fantasie.
[4] Of: uitroeiing, vernietiging, ondergang. Zie J. van Bruggen, Lucas, 94,95. Zie ook Jes. 8:14,15 ‘Hij zal tot een heiligdom voor u zijn, tot een steen des aanstoots, en tot een rots waarover men struikelt voor de beide huizen van Israël, tot een strik en een val voor de inwoners van Jeruzalem. Velen onder hen zullen struikelen, vallen en gebroken worden, verstrikt raken en gevangen worden. Jezus wijst hierop in Lukas 20:18.
[5] Deze Anna moet overigens niet verward worden met de Anna die de schrijver van het Proto-evangelie van Jakobus noemt als de moeder van Maria.
[6] De Statenvertalers stellen in kanttekening 4 bij Leviticus 12:3 dat moeder en kind die zeven dagen onrein waren.
[7] Jakob van Bruggen, Lucas, het evangelie als voorgeschiedenis, Kok-Kampen, 1993, pag. 86.
[8] Zoals veel kinderbijbels ten onrechte weergeven, kennelijk in aansluiting op kanttekening 31 van de SV bij dit vers. De eerste zoon van een levitische vrouw werd overigens nooit gelost, ook niet als de man van een andere stam was. Als Maria dus levitisch was, wat waarschijnlijk lijkt, zou alleen daarom al Jezus niet gelost worden.
[9] Exodus 13:13 ‘Maar wat de mensen betreft, moet u alle eerstgeborenen onder uw zonen vrijkopen’
[10] Herman L. Strack und Paul Billerbeck, Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, Zweiter Band, München 1924, p.122