Jezus, de nieuwe David
Zoals in andere bijdragen uitvoerig uiteengezet stamt Jezus niet fysiek van David af, noch via Jozef, noch via Maria. Hij is enkel de beloofde Nakomeling of Zoon van David (2Sm7:11b-16) doordat hij juridisch de zoon van Jozef uit het geslacht van David is. Dat is genoeg.[1] Van David erft Hij niets, dan het Koningschap, het recht op Davids troon (Js22:22, Lk1:32)[2]. Hij zal als Koning voor eeuwig heersen (Js9:6, Op11:15), Zijn Rijk zal geen einde hebben (Lk1:33). Een erfelijke fysieke troonopvolging kan en zal er daarom niet meer zijn. Deze Gezalfde Messias-Koning, is zo de nieuwe David, in Wie het Davidisch Verbond op nieuwe wijze en in een nieuwe hoedanigheid is vervuld en wordt voortgezet. Hij vervult het niet alleen, maar vernieuwt het. Het is niet alleen maar het oude in een nieuw jasje, maar werkelijk nieuw: een universeel geestelijk en eeuwig Koningschap van vrede, heil en gerechtigheid in een nieuwe kosmische werkelijkheid in het Koninkrijk van God.
Om dit nieuwe van Christus’ heilswerk uit te drukken kent het Nieuwe Testament het woord kainos (nieuw).[3] Het betekent iets nieuws in hoedanigheid, een nieuwe kwaliteit. Zoals in de uitdrukking ‘het Nieuwe Testament’ (Lk22:20, 1Kor11:25) en voor de nieuwe hemel en de nieuwe aarde (Op21:1). Jezus zei treffend dat Hij de wijn nieuw zal drinken in Gods Koninkrijk (Mt26:29).
In Mattheüs 9:17 zegt Jezus dat nieuwe (neon) wijn in nieuwe (kainous) wijnzakken gedaan moet worden. Het gisten van nieuwe wijn zou oude zakken stuk maken. De nieuwe wijn van Jezus’ heilswerk vraagt om een nieuwe (kainous) wijnzak. Vertaald naar ons thema wil dat zeggen: het oude Davidisch Verbond wordt nieuw voortgezet binnen een nieuwe werkelijkheid.
Deze nieuwe hoedanigheid verlangt dus een nieuwe vorm.[4] Een nieuwe David vraagt om een andere afstamming van David dan fysiek, namelijk juridisch. Immers God is Zijn Vader. De Messias moest voor de verzoening van de zondeschuld ook niet enkel Mens maar ook God zijn, als eeuwige Zoon van God van goddelijke oorsprong. Hij had daarom geen aardse vader, maar is ontvangen van de Heilige Geest. De fysieke afstammelingen van David konden de eeuwige Koning op Davids troon immers niet voortbrengen (Jr22:30).[5] Zo zet Hij het Davidisch Verbond voort.
Anders dan bij David en de davidische koningen na hem, is Christus’ Koningschap dan ook niet van déze wereld (Jh18:36,37), maar geestelijk, universeel en eeuwig, van een totaal andere, hemelse orde. Er is dus zowel continuïteit (het Messiaans Koningschap van Davids huis) als discontinuïteit (een geestelijk en eeuwig Koningschap). De lichamelijke opstanding van Christus en zijn verhoging zijn de garantie voor de verwezenlijking van dit Messiaans eeuwig Koningschap (Hd2:30-36, Rm1:3,4). Jezus’ niet-fysieke afstamming van Jezus en de ontvangenis van de Heilige Geest markeren zo het nieuwe van het Davidisch Verbond ten opzichte van het koningschap van David en zijn fysieke opvolgers.
Voetnoten:
[1] Zo werd ook bij het leviraatshuwelijk (Deut. 25:5) de bij de weduwe door de levir verwekte eerste zoon juridisch beschouwd als wettig kind van zijn gestorven broer, zonder biologische afstamming.
[2] Js22:22 ‘En Ik zal de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen’.
[3] C.H. Hoogendoorn, De Waarheidsvriend, 15 januari 2026, p. 5.
[4] Geurt -Henk van Kooten, Echo’s van het goede nieuws, KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht, 2026, 85.
[5] Zie mijn bijdragen ‘Het oordeel over Jechonia” op deze website.